Vraag

20 mei 2026

Vervolgvragen: het meetbaar maken van biodiversiteit

Geacht College,

Dank voor uw reactie van 13 mei 2026 (kenmerk 52709-2026) op onze vragen over het meetbaar maken van biodiversiteit in Roermond. De beantwoording roept echter meer vragen op dan zij beantwoordt.

Het college erkent dat biodiversiteit een wezenlijk onderdeel vormt van klimaatadaptatie en leefbaarheid, maar de antwoorden blijven grotendeels verwijzen naar plannen die nog in ontwikkeling zijn. Daarnaast valt op dat de aangekondigde nulmeting zich beperkt tot een vijftal vogelsoorten, terwijl biodiversiteit een veel bredere werkelijkheid omvat; denk aan insecten, planten, amfibieën en bodemorganismen. Een nulmeting die alleen vogels meet, geeft geen representatief beeld van de staat van de natuur in onze gemeente.

Op grond van artikel 43 van het Reglement van Orde stellen we daarom de volgende vervolgvragen.

  1. Het college verwijst in diens antwoord op vraag 2 naar het Soortenmanagementplan (SMP) dat momenteel wordt opgesteld. Kan het college aangeven wanneer dit SMP gereed is, wanneer de vergunningaanvraag bij de provincie Limburg wordt ingediend, en wanneer het bijbehorende monitoringsplan voor biodiversiteit wordt vastgesteld?
     
  2. De nulmeting die in het kader van het SMP wordt uitgevoerd, richt zich uitsluitend op een vijftal vogelsoorten (vleermuizen, huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw). Erkent het college dat deze meting slechts een zeer beperkt deel van de totale biodiversiteit dekt, en dus geen representatief beeld geeft van de staat van biodiversiteit in Roermond als geheel?
     
  3. Is het college bereid de scope van de nulmeting te verbreden naar andere indicatoren van biodiversiteit, zoals insecten (met name bestuivers), bodembacteriën, amfibieën en plantensoorten? Zo nee, waarom niet?
     
  4. Op vragen 4 en 5 antwoordt het college dat de frequentie en schaal van monitoring "gedurende de projecten bepaald wordt." Kan het college toelichten wie deze afweging maakt, op basis van welke criteria, en wanneer de raad hierover geïnformeerd wordt?
     
  5. Is het college bereid de raad een concrete planning te sturen met daarin de mijlpalen voor het SMP, de vergunningaanvraag, het monitoringsplan biodiversiteit en de eerste meetresultaten?
     
  6. Op welke wijze worden de uitkomsten van biodiversiteitsmonitoring straks concreet betrokken bij beleidsbeslissingen; bijvoorbeeld bij vergunningverlening, investeringskeuzes in de openbare ruimte of de beoordeling van vergroeningsprojecten? Is het college bereid hiervoor een heldere werkwijze vast te stellen en de raad daarover te informeren?
     

Wij zien de beantwoording van onze vragen graag tegemoet binnen de daarvoor gestelde termijn. Bij voorbaat dank.

Hartelijke groet,

Maurice Timmermans
Fractievoorzitter Partij voor de Dieren